Optimistisch aanbesteden

Rijkswaterstaat kreeg in 2019 de opdracht om te werken aan een klimaatneutrale en circulaire rijksinfrastructuur, met als ambitie om dit doel in 2030 te hebben bereikt. Aan Jasper Flapper de taak om – samen met anderen – het aanbestedingsbeleid zo vorm te geven dat de verduurzaming in een stroomversnelling komt. Zijn optimistische inborst helpt daarbij. “De impact die wij als Rijkswaterstaat kunnen maken, is enorm.”

Af en toe lag frustratie op de loer, toen Jasper Flapper nog als adviseur bij een ingenieursbureau werkte. Hij dacht mee met gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat over manieren om circulair en klimaatneutraal in te kopen. “Dan waren er duurzame alternatieven beschikbaar voor asfalt of betonklinkers, maar bleek er qua budget of in het inkoopbeleid geen ruimte”, zo vertelt hij. Dus toen de gelegenheid zich voordeed om die beleidskaders mee te gaan bepalen bij Rijkswaterstaat, zag hij zijn kans schoon. “De impact die wij als Rijkswaterstaat kunnen maken, is enorm. Het is fantastisch om daaraan bij te dragen.”

In juli 2019 kregen Rijkswaterstaat en ProRail de opdracht om te zorgen voor een klimaatneutrale en circulaire rijksinfrastructuur in 2030. Dus: fossielvrij geproduceerd asfalt met meer hergebruikte en natuurlijke materialen, hijskranen en baggerschepen die werken op hernieuwbare stroom, duurzamer beton en staal in bruggen en sluizen en hoogwaardig hergebruik van vangrails, borden en ander wegmeubilair. Flapper en zijn collega’s zagen zich voor de uitdaging gesteld om de spelregels voor aanbestedingen van Rijkswaterstaat op zo’n manier bij te vijlen dat verduurzaming op al die domeinen in een stroomversnelling zou komen.

Optimistisch aanbesteden

Invloed verschilt van markt tot markt

Een optimistische inborst is daarbij essentieel. Gekscherend: “Met een collega kwam ik tot de conclusie dat je ons werk eigenlijk kunt zien als aan dode paarden trekken. Dat is ook hoe ik in elkaar steek: als ik ergens een dood paard zie liggen, wil ik eraan trekken. Als ik merk dat het ergens niet goed loopt, wil ik het beter maken.” Flapper wil met deze analogie niet impliceren dat verduurzaming van de infrastructuur een hopeloze zaak is. Hij bedoelt vooral dat die transitie niet eenvoudig is. “Als Rijkswaterstaat produceren we geen asfalt, cement of staal. We kunnen er dus niet zelf voor kiezen die materialen op een duurzamere manier te produceren. Wél kunnen we de partijen die asfalt of staal maken via onze inkooppraktijken stimuleren om dat op een duurzamere manier te doen.”

En dat vergt maatwerk. De invloed die Rijkswaterstaat met zijn inkoopcriteria kan uitoefenen, verschilt van markt tot markt. Van de 26 asfaltcentrales in Nederland bijvoorbeeld, is Rijkswaterstaat met 15 procent de grootste afnemer. De rest van de productie gaat vooral naar de twaalf provincies en 342 gemeenten. Daar heeft Rijkswaterstaat dus wat in de melk te brokkelen. Maar het staal in bruggen of vangrails komt uit een Oekraïense fabriek en de bouwmachines komen veelal uit China, de Verenigde Staten en Japan. “Zulke spelers bedienen een regionale of wereldmarkt”, stelt Flapper. “Zij gaan hun productiemethoden niet ineens veranderen omdat Rijkswaterstaat een duurzamere koers vaart.” Toch gebeurt ook daar iets, vooral onder invloed van de Europese beprijzing en beperking van de CO2-uitstoot.

Op domeinen waar de grote producenten weinig opschuiven, zoeken Flapper en zijn collega’s naar alternatieven. “Dan mikken we op kleinere, vernieuwende bedrijven die wél een duurzaam alternatief bieden en kijken we of we hen kunnen versterken.” Als voorbeeld noemt hij innovatieve bedrijven die zich toeleggen op het elektrificeren van fossiele machines.

Als inkopers krachten bundelen

Een andere strategie van Flapper en zijn collega’s is krachtenbundeling. “Als inkopers delen we onze kennis en kunde bijvoorbeeld met gemeenten en provincies, zodat onze gezamenlijke duurzaamheidswensen meer op één lijn komen te liggen. Dan weten producenten wat ze van ons kunnen verwachten qua vraag en is het aantrekkelijker om daar op in te spelen.” Op die manier kunnen de spelregels die Rijkswaterstaat ontwikkelt voor duurzaam aanbesteden als een vliegwiel werken bij de verduurzaming van productieketens. “We zoeken steeds naar coalitions of the willing. Wie mee wil bouwen aan een duurzamere toekomst doet mee. Rijkswaterstaat is in ieder geval van de partij.”

Het moment dat het voorstel om milieu-impact standaard mee te wegen bij aanbestedingen werd aangenomen, gaf Flapper veel voldoening. Bij iedere aanbesteding die Rijkswaterstaat uitzet – of het nu gaat om het bevaarbaar houden van waterwegen of het verbreden van een stuk snelweg – geldt nu de impact op het milieu als één van de drie kwaliteitscriteria waarop een inschrijving wordt beoordeeld. Deze milieu-impact behelst CO2-uitstoot, maar ook eventuele verzuring of het uitputten van primaire materialen, en wordt via gestandaardiseerde regels berekend. “Dat was een mijlpaal”, geeft Flapper aan. “Eerder werd milieu-impact wel meegewogen bij projecten waar de betrokkenen dat belangrijk vonden. Nu is het niet langer leuk, optioneel, extra. Nee, nu is het de norm. Eerst was het de kers op de taart, maar nu is het standaard kers ín de taart – een echte Schwarzwälder Kirschtorte.”

Door Marieke Buijs


Jasper Flapper

Jasper Flapper

Jasper Flapper studeerde European Civil Engineering Management en Water Management aan de TU Delft. Hij was voor aannemerscombinatie Coentunnel Construction contractadviseur bij de aanleg van de Tweede Coentunnel en had een adviseursfunctie bij ingenieursbureau Antea Group. Nu werkt hij als senior adviseur duurzaamheid bij het inkoopcentrum voor de grond-, weg- en waterbouw (GWW) van Rijkswaterstaat.

“De spelregels voor aanbestedingen op zo’n manier bijvijlen dat verduurzaming op al die domeinen in een stroomversnelling komt”

Blik op 2030

zero-emissie-bouwplaats

Strategie naar Klimaatneutrale en Circulaire Infrastructuurprojecten

“Via onze inkooppraktijken kunnen we de partijen die wél asfalt of staal maken stimuleren om dat op een duurzamere manier te doen”

“Dan mikken we op kleinere, vernieuwende bedrijven die wél een duurzaam alternatief bieden”