Laag geboortecijfer maakt een einde aan de groei
Nederland is een welvarend land. En als het even kan, houden we dat zo. Maar onze samenleving vergrijst, net als die in andere delen van de wereld. Ook het geboortecijfer blijft dalen. Hoe zorgen we ervoor dat de maatschappij blijft functioneren als er steeds minder mensen zijn om haar draaiende te houden?

In 1960 kreeg een vrouw in Nederland nog gemiddeld drie kinderen. Dit cijfer duikelde in de vijftien jaar daarop naar anderhalf kind per vrouw. Sinds 1972 ligt de vruchtbaarheid structureel onder het ‘vervangingsniveau’ van 2,1 kind per vrouw. Dit niveau is nodig om de bevolking zonder migratie stabiel te houden.
Nederland groeit dus niet meer – althans niet door geboorten. Daarmee zijn we allerminst een uitzondering. Een groot deel van de wereld bevindt zich namelijk in een demografische transitie, in een beweging van hoge geboorte- en sterftecijfers naar lage cijfers. Dat is nog niet overal zo. Maar in het westen gebeurt het al een tijdje en ook voormalige groeigebieden in Azië, zoals China, krimpen nu. Zelfs in India is een kentering zichtbaar.
Tialda Haartsen, hoogleraar plattelandsgeografie aan de Rijksuniversiteit Groningen, en Leo van Wissen, emeritus hoogleraar demografie en voormalig directeur van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI), waarschuwen al langer: we zullen moeten wennen aan het idee van bevolkingskrimp en sterke vergrijzing. Dit vat echter maar moeilijk post, hoewel het al een tijd bekend is en vaak wordt herhaald.
Voorzieningen en infrastructuur
“De hele economie en het politieke denken zijn gericht op winnaars, op groei”, schetst Van Wissen de situatie. “De economische motoren – de Randstad, delen van Brabant en wat meer geïsoleerde groeikernen elders in het land – krijgen alle aandacht en investeringen in voorzieningen en infrastructuur. Het omgekeerde gebeurt in kleine dorpen, met name als ze ver van de groeigebieden liggen. Die lopen mede daardoor steeds verder leeg.”
Aan de andere kant moeten we niet overdrijven. Haartsen en Van Wissen wijzen erop dat Nederland er een stuk beter voorstaat dan bijvoorbeeld Oost-Europa, Spanje en Portugal. Haartsen: “Daar zijn de plattelandsgebieden echt leeggelopen. Hier liggen de meeste nog binnen het daily urban system, een denkbeeldige zone op een uurtje rijden van een grote stad. Daarbinnen kun je dus forensen.”
Daarbij vindt Van Wissen het best een goede ontwikkeling om een beetje te krimpen. “Mondiaal gezien leggen we excessief beslag op de milieugebruiksruimte. We consumeren meer dan de aarde aankan. Wat minder mensen is helemaal niet zo slecht. En op de lange termijn gaat dat ook wel gebeuren.”

Bijgestelde prognoses
Het is niet eenvoudig om goed te anticiperen op demografische ontwikkelingen. De schaal en tijdspanne zijn simpelweg lastig in overeenstemming te brengen met de actualiteit van alledag. Niet in de laatste plaats omdat het behoorlijk lang duurt voordat demografische effecten beginnen door te werken. Die drie kinderen die een vrouw in 1960 gemiddeld kreeg, waren de afgelopen decennia immers in leven en bovendien aan het werk. Maar zo langzamerhand bereiken de kinderen van toen de pensioengerechtigde leeftijd en worden de effecten merkbaar.
Demografische ontwikkelingen vergen dus een ruimtelijk uitgezoomd perspectief én een langetermijnvisie. Dit betekent ook dat demografische prognoses en de verwachtingen die daaruit voortkomen soms moeten worden bijgesteld.
Haartsen memoreert hoe de prognoses rond 2010 heel concreet waren. “We zagen dat de bevolking vanaf 2040 in Nederland zou gaan stagneren of zelfs afnemen. Dit leidde tot een hele discussie, want het is nogal wat: we moesten rekening gaan houden met krimp! Maar de levensverwachting nam toe en er was meer internationale migratie dan verwacht. Nu is het de verwachting dat de bevolking in ieder geval tot 2070 blijft groeien. Dit inzicht botste met het pleidooi voor anticiperen op krimp dat we eerder hielden. Er zijn nu politici die zeggen: ‘Jullie zagen het fout. Die krimp komt niet’. Of ze gaan nog verder en zeggen dat ze überhaupt niet meer in prognoses geloven.” Haartsen grimast: “Al hangt dat laatste een beetje af van de politieke partij waarmee je praat.”
Wat ze maar wil zeggen: prognoses over bevolkingsomvang, levensverwachting en migratie zijn wel degelijk waardevol, ook al moeten ze soms worden bijgesteld. Doordat de groei voorlopig doorzet, worden de gevreesde effecten van krimp – verschraling van de levensstandaard – misschien minder breed gevoeld dan critici hadden verwacht. Maar inmiddels hebben we wel te maken met verdelingsvraagstukken en is het voorzieningenniveau niet overal meer vanzelfsprekend.

Wooncrisis
Volgens Haartsen speelt ook de situatie op de huizenmarkt een rol. “Die zorgt ervoor dat jongeren die eigenlijk weg willen uit hun geboortedorp, niet goed weg kunnen. Daardoor blijven ze er – ongewenst – wonen, wat de trek naar de stad iets vermindert. Ook speelt er een waterbedeffect: als mensen nergens anders meer betaalbaar kunnen wonen, zijn ze sneller geneigd een huis in een krimpregio te overwegen. Dit neemt echter niet weg dat de natuurlijke groei overal in Nederland te laag is om de bevolking te vervangen.”
Van Wissen vervolgt: “Het vruchtbaarheidscijfer is de laatste tien jaar verder gedaald naar 1,4. Dat is echt heel laag. Daar zijn allerlei redenen voor, zoals onzekerheid over de economische vooruitzichten en daarmee samenhangende tijdelijke contracten. En natuurlijk ook weer die wooncrisis: jongeren die geen huis kunnen vinden, stellen ook het krijgen van kinderen uit. Niemand verwacht dat daar plotseling verandering in zal komen. Momenteel is de enige groeifactor migratie. Maar dat is ook meteen de meest onzekere factor in de vergelijking. Migratie is afhankelijk van de internationale situatie: geopolitiek zoals de oorlog in Oekraïne, maar ook economisch. Daarnaast is het natuurlijk een uitgesproken politiek onderwerp; sommigen vinden migratie nodig om de economie gaande te houden, anderen zijn er juist tegen.”
Cultureel bepaald paradigma
Daarom blijft het volgens Haartsen en Van Wissen belangrijk om je op zijn minst bewust te zijn van het verschil tussen de verwachtingen en de realiteit. Van Wissen: “Het idee dat groei goed is en krimp slecht, is haast een cultureel bepaald paradigma geworden. We zijn opgegroeid in een tijd van groei. Inkomens stegen; wat onze ouders hadden, hebben wij beter. Dat was altijd zo. Maar dat kan veranderen.”
Iets vergelijkbaars geldt voor het ideaalbeeld van het leven. “Iedereen wil oud worden, maar niemand wil het zijn. De hele samenleving schreeuwt: jong! Winkelstraten zijn gericht op jongeren, met muziek die niet te pruimen is en mode die ouderen nauwelijks aanspreekt.” Van Wissen gebaart verontschuldigend terwijl hij het zegt. “Tja, ik hoor zelf natuurlijk ook bij de ouderen…” Maar toch: “Ik snap niet dat er op dit vlak niet meer wordt geschakeld. Niet jongeren maar ouderen zijn koopkrachtig. Het blijft slim om vooruit te kijken en daar je conclusies uit te trekken.”
Door Janno Lanjouw
Tialda Haartsen

Tialda Haartsen is hoogleraar plattelandsgeografie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Haar onderzoek richt zich op leefbaarheid, migratie, vergrijzing en de betekenis van het platteland voor bewoners en gemeenschappen.
Leo van Wissen

Leo van Wissen is emeritus hoogleraar economische demografie aan de Rijksuniversiteit Groningen en voormalig directeur van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Hij is expert in bevolkingsprognoses, migratie, vergrijzing en regionale demografie.
“Sinds 1972 ligt de vruchtbaarheid structureel onder het vervangingsniveau van 2,1 kind per vrouw”
Bevolkingspiramide
In de bevolkingspiramide zie je de bevolkingsopbouw van Nederland. Met de afspeelknop op deze website is de ontwikkeling door de jaren te zien.
“Het is niet eenvoudig om goed te anticiperen op demografische ontwikkelingen”
“Sommigen vinden migratie nodig om de economie gaande te houden, anderen zijn er juist tegen”
Overzicht van artikelen
Toekomstgeluiden

